Stadshal Gent

Robbrecht en Daem, Marie-José Van Hee architecten, Stadshal Gent (c) Marc De Blieck
Robbrecht en Daem, Marie-José Van Hee architecten, Stadshal Gent (c) Marc De Blieck
Robbrecht en Daem, Marie-José Van Hee architecten, Stadshal Gent (c) Bert Callens
Robbrecht en Daem, Marie-José Van Hee architecten, Stadshal Gent (c) Bert Callens
Robbrecht en Daem, Marie-José Van Hee architecten, Stadshal Gent (c) Bert Callens
Robbrecht en Daem, Marie-José Van Hee architecten, Stadshal Gent, sectie bb
Robbrecht en Daem, Marie-José Van Hee architecten, Stadshal Gent, sectie dd
Robbrecht en Daem, Marie-José Van Hee architecten, Stadshal Gent, situatieplan

De herinrichting van het Gentse stadscentrum naar het ontwerp van de associatie Robbrecht en Daem architecten en Marie-José Van Hee architecten is controversieel. Ze behelst immers een interventie op het zorgvuldig bewaarde historische ensemble van middeleeuwse en vroegmoderne monumenten waaraan Gent zijn identiteit van trotse handelsstad verbindt. Zoals gebruikelijk bij dit soort renovaties, die zowel het aanzien als de doelmatigheid van de publieke ruimte betreffen, regelt het project een brede waaier van zeer uiteenlopende aspecten. In het gebied dat samenvalt met de actuele kern van de stad (de Korenmarkt, het Emile Braunplein, de Botermarkt, de verbindingen daartussen en de omliggende aantakkingen), werden de voorzieningen voor het tram- en busvervoer uitgebreid, de betrokken infrastructuurknoop herleid en de gehele bestrating vernieuwd.

Met een beperkt palet aan materialen werd een fijnzinnige variatie gespeeld. Stoepranden en vluchtheuvels werden zoveel mogelijk geschrapt om de straten en de pleinen ononderbroken tot tegen de gevels te laten doorlopen. Op dit opengelegde veld met onregelmatige contouren werden de pleinfiguren teruggebracht tot eenvoudige vormen. In de zandstenen bestrating tekenen ze nauwelijks af door een verschil in plavuisformaat en legpatroon. Een doorlopende, grijze basaltstenen rand geeft een scherpere omlijning aan de grondfiguur die de Sint-Niklaaskerk en een parkje aan haar kooreinde samenhoudt. De green is vanaf de zuidzijde (de Cataloniëstraat) in tegenhelling van de oplopende zandrug aangelegd. Aan de noordkant van de green ontstaat, onder het pleinniveau, ruimte voor een grand café, een openbare fietsenstalling, publiek sanitair en dienstruimte voor de nutsbedrijven.

Al deze aspecten worden eigenlijk in de discussie ongemoeid gelaten. De deining wordt verwekt door de bouw van een Stadshal in de open ruimte tussen de Sint-Niklaaskerk, het Belfort en het Stadhuis. De hal is in feite een groot dak dat een rechthoekig deel van het plein van circa 16 bij 40 meter boven het grand café overdekt. De commotie kan niet simpelweg worden toegeschreven aan het gebruikelijke verzet tegen het nieuwe. De kwestie blijkt de Gentenaars in het gemoed te grijpen. De oprichting van de Stadshal wordt door velen als een aanmatiging beschouwd. Door haar positie, haar omvang en uitgesproken aanwezigheid heeft ze onmiskenbaar een grote impact op de situatie. Ze breekt in op de vertrouwde monumentale configuratie van het stadscentrum en transformeert daar de gesteldheid van een weidse, open ruimte waar de communale bouwwerken uit een groots verleden zelfstandig konden verschijnen. Ze beroert aldus de betrekking die gaandeweg tussen de stad en haar monumenten werd geconstrueerd, en ooit, als een iconische verbeelding van de stad, uitkristalliseerde in het beeld van de ‘drie torens’. (...)

De structuur van de Stadshal en de scherpe rand langs de kering van het park versnijden het plein in afzonderlijke stukken, die een plausibel verband aangaan met de ongelijke segmenten van de bebouwing aan de noordkant. De disparate onderdelen van het Stadhuis die zich daar bevinden, komen zo in relatie te staan met geëigende pleindelen: de lage Armenkamer aan de lange zijde van de
ingeperkte Poeljemarkt; de hoog opgaande tweevoudige puntgevel van het Schepenhuis van Gedele ten overstaan van een versmald voorplein, dat ergens de verdwenen structuur van de Botermarkt terug oproept. (...)

In de uitgevoerde versie is de Stadshal permanent en volledig open. De structuur rust horizontaal op vier forse, betonnen sokkels die in een minimale vrije doorgangshoogte van 4,50 meter voorzien. Het licht opgaande plein loopt gewoon door onder de structuur. Maar de hal heeft bij deze wijziging niets aan lichamelijke aanwezigheid moeten inboeten. Haar wanden en dakvlakken vormen een grote, samengestelde schaal, langs alle zijden bedekt met hardhouten plankwerk, geperforeerd door honderden daglichtkokers, en aan de buitenkant afgedekt met glasplaten. Het gevaarte heeft de gedaante van een hoekig dekschild dat een monumentaal, door lichtbundels gestreept en boven de grond zwevend interieur omsluit. De Stadshal evenaart de lengte van de Lakenhal, en correspondeert in hoogte met de oudste hoekhuizen aan het Gouden Leeuwplein. Het motief van de dubbele puntgevel van het Schepenhuis van Gedele wordt nu exact gereproduceerd in de kopgevels van de hal: twee naast elkaar staande gelijkvormige punten (op zichzelf: gelijkbenige driehoeken even hoog als breed van basis) in de onderlinge verhouding van twee op drie. Frontaal bekeken zijn de twee kopgevels van de hal identiek, met de kleine punt rechts en de grote links. Dit veroorzaakt een inversie binnen het systeem van het gebouw. Daardoor bestaat het rechthoekige grondplan uit twee aanliggende, trapeziumvormige beuken. De goten van de dakvorm lopen horizontaal en de nokken schuin op, van een kleine naar een grote driehoek, kruiselings ten opzichte van elkaar. (...)

Auteur: Guy Châtel (in: Architectuurboek Vlaanderen N°10 - Radicale Gemeenplaatsen. Europese architectuur uit Vlaanderen)

Architectenbureau: 

Robbrecht en Daem architecten
Marie-José Van Hee architecten

Taal: 

Nederlands

Straat: 

Emile Braunplein

Postcode: 

9 000

Gemeente: 

Gent

Land: 

België

Datum oplevering: 

2012

Studiebureaus: 

BAS (stabiliteit)
Boydens (technieken)

Trefwoorden: 

Corporate partners

Retail Estates

Cultural partners