Uitbreiding Whitechapel Gallery

Uitbreiding Whitechapel Gallery, Robbrecht en Daem architecten, © Richard Bryant
Uitbreiding Whitechapel Gallery, Robbrecht en Daem architecten, © Richard Bryant
Uitbreiding Whitechapel Gallery, Robbrecht en Daem architecten, © Richard Bryant
Uitbreiding Whitechapel Gallery, Robbrecht en Daem architecten, © Richard Bryant
Uitbreiding Whitechapel Gallery, Robbrecht en Daem architecten, © Richard Bryant

In 1901 ontwierp Charles Harrison Townsend een wat excentriek arts-and-craftsgebouw voor de Whitechapel Art Gallery in Londen. Gelegen in East End zocht het museum van meet af aan een inbedding in de volkse migrantenwijk. Zo bestaat de werking van de galerie niet alleen uit het tonen van kunst. Bibliotheek en workshopruimtes maken integraal deel uit van de publiekswerking van het kunsthuis. De Whitechapel bibliotheek bijvoorbeeld trekt sinds haar oprichting een gevarieerd publiek aan ‘from workers in the city to Jewish ladies, beefeaters from the Tower and people with no fixed address’. In de loop der jaren onderging het gebouw meerdere aanpassingen. In 1980 nog werd de galerie aangepakt door de architecten Colquhoun and Miller en uitgebreid met een tentoonstellingszaal. De architecten Robbrecht en Daem werden door de Whitechapel Gallery aangezocht om het gebouw te renoveren en uit te breiden. De keuze viel op hen omwille van hun uitzonderlijke samenwerkingen met hedendaagse beeldende kunstenaars. Sinds ‘Floor for a sculpture — Wall for a Painting’ (Amsterdam, 1987), waarbij Robbrecht een vloer en een wand liet optrekken als basisarchitectuur voor een beeldhouwwerk en een schilderij, heeft het bureau zich met onder meer de tijdelijke infrastructuur voor Documenta in Kassel, de renovatie van het Museum Boijmans Van Beuningen en de Sammlung Hauser & Wirth in Sankt Gallen een internationale reputatie opgebouwd inzake museumarchitectuur.

Niettegenstaande het museum bijna in omvang verdubbelde, is de renovatie en transformatie van de Whitechapel Gallery vooral een demonstratie van architectonische chirurgie. Een toonbeeld ook van architectonische terughoudendheid en discretie, aangezien de architecten zich ervan hebben weerhouden om al te nadrukkelijk hun stempel te drukken op het gebouw. In eerste instantie werd de bestaande architectuur, een labyrintisch amalgaam van grote en kleine, ‘neutraal moderne’ tot excentrieke arts-andcraftsruimtes, zoveel mogelijk in ere hersteld. Glazen daklichten werden opengemaakt, Victoriaanse houten dakspanten zelfs gedeeltelijk gereconstrueerd, ruimtes kregen opnieuw hun geometrische vorm. Het precies balanceren tussen respect voor de historische identiteit van het gebouw en het introduceren van nieuwe elementen wekt de indruk dat de ‘nieuwe’ Whitechapel nauwelijks is veranderd. Vooral wat de tentoonstellingszalen betreft, lijkt het adagium ‘alles moet veranderen om hetzelfde te blijven’ aan de orde. Dit komt omdat een aantal wezenlijk ingrepen te maken hebben met de introductie van nieuwe daklichten.

Op de verdieping kregen een paar secundaire zaaltjes koepels, waardoor ze nu een volwaardig statuut krijgen en deel uitmaken van een enfilade of een landschap van tentoonstellingsruimtes. De voormalige bibliotheek, nu omgevormd tot tentoonstellingszaal, kreeg de meest sculpturaal uitgewerkte daklichten. Maar dan nog blijven de witte kaders van de koepels discreet en bescheiden ten aanzien van de met kolommen geritmeerde ruimte.

Een belangrijke ingreep is de reorganisatie van de inkompartij. De Whitechapel Gallery bestaat uit twee gebouwen, het museum en de bibliotheek. Beide gebouwen hebben een eigen identiteit, wat ook af te lezen valt van de gevels. De hoofdtoegang, gearticuleerd door een monumentaal poortmotief, spreekt onmiskenbaar voor zich. Interessant is dat deze toegang, met ontvangstbalie en shop, door de nieuwe interventie nu rechtstreeks in verbinding staat met de tweede toegang (van de voormalige bibliotheek) naar de cafetaria en een verhuurbaar vergaderzaaltje. Deze nieuwe verbindingsruimte, die zich voordoet als een soort ‘antichambre’, strekt zich dus uit tussen inkom, bookshop en cafetaria en ontsluit onderweg de twee belangrijkste tentoonstellingszalen van het museum en twee aparte trappenhuizen die de publieke en semipublieke ruimtes op de verdieping bedienen. Hiertoe werd een trappenzaal, die nog in de jaren 1980 werd gebouwd, gesloopt. Deze hal vormt ook de technische slagader van het gebouw. Achter en in de wanden, onzichtbaar dus, schuilen de technische kokers en de dienstlift. De architectuur van deze antichambre oogt uiterst neutraal. De muren zijn wit, de vloeren grijs. Dit is architectuur die geen architectuur wil zijn. Of tenminste, dit is architectuur die dienstbaar wil zijn, het oog wil behoeden voor overdaad. Kortom, een beeldende terughoudendheid ontplooit zich louter ten dienste van de kunst.

Minder anoniem zijn de workshopruimtes, de zogenoemde studio’s, onderdeel van het educatieve programma van de Art Gallery. Een semipublieke trappenhal brengt de bezoeker onder meer naar de bovenste verdieping. Daar zagen Robbrecht en Daem hun kans om hun eigen signatuur neer te zetten met het ontwerp van de studio’s. Het betreft hier een dakpaviljoen, dat zich met strategisch geplaatste ramen opent op het stadslandschap van Londen, en daarbij een decoratief timpaan van het originele Whitechapel bibliotheekgebouw opmerkelijk kadreert. Voor de studio’s hanteren Robbrecht en Daem een Scandinavisch aandoende architectuur. Onder een licht hellend lessenaardak, gesculpteerd met daklichten, componeren zij twee kamers, die met veel hout een huiselijk karakter evoceren. De kamers haken in elkaar en kunnen facultatief één of twee ruimtes vormen. De wanden bestaan grotendeels uit kastdeuren, waardoor de meubels in de ruimte in een handomdraai geruimd kunnen worden in de berging. Wanneer nodig kunnen deze zalen ten volle hun ruimtelijkheid ontplooien. Van op de straat is te zien hoe dit dakpaviljoen zich discreet verbergt achter de decoratieve gevel van de voormalige bibliotheek. Maar tezelfdertijd actualiseert de dakstudio zonder schroom en op eigentijdse wijze het gebouw dankzij de rigoureuze geometrie waarmee het raam zich lossnijdt van de historische architectuurvormen.

De reorganisatie en uitbreiding van de Whitechapel Gallery is een interessante case in relatie tot de vele musea voor hedendaagse kunst die zich de voorbije jaren in de aandacht hebben geschreeuwd. Whitechapel Gallery in de handen van Robbrecht en Daem heeft zijn identiteit van kunsthuis met wortels in de lokale gemeenschap van East End en met een visie op de wereld niet verloren. Meer zelfs. Whitechapel is een ‘huis’ gebleven waar in de eerste plaats een ander concept van architectuur centraal staat. Eén waar de architectuur de kans krijgt om te zwijgen. Om niet te willen inpraten op de bezoeker, maar door empathisch, onder meer via subtiele manipulatie van licht of het creëren van nieuwe routes en trajecten, de kunst en de bezoeker in een atmosfeer te brengen die noopt tot een zekere vorm van verstilling en contemplatie.

Het specifieke gebruik en detaillering van klassieke bouwmaterialen zoals hout, steen of pleister zorgt bovendien voor een onmodieuze, quasi tijdloze herwaardering van de materie als de medeplichtige in het spel van licht en atmosfeer. De terughoudendheid en de bijna onzichtbaarheid van de architectuur is dan ook een zegen in de wereld van de museumarchitectuur, waar citybranding en imagebuilding de toon zetten.

Auteur: Koen Van Synghel

Architectenbureau: 

Robbrecht en Daem architecten

Ontwerpers: 

Paul Robbrecht
Hilde Daem

Opdrachtgever: 

The Trustees of the Whitechapel Art Gallery

Taal: 

Nederlands

Straat: 

Whitechapel High Street

Nummer: 

77-82

Gemeente: 

London

Land: 

Verenigd Koninkrijk

Datum ontwerp: 

2002

Datum oplevering: 

2009

Oppervlakte: 

3 800 m²

Studiebureaus: 

studiebureau stabiliteit: Price & Meyers

Hoofdaannemers: 

Kier Wallis Special Projects

Trefwoorden: 

Corporate partners

Retail Estates

Project partners

Cultural partners

hier niet aan komen aub