De 'Wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw' zette een planningsactiviteit in gang op een schaal die nooit eerder gezien was in België. Het Centrum Vlaamse Architectuurarchieven (CVAa) greep in 2012 de vijftigste verjaardag van de wet aan om bronnen voor de naoorlogse geschiedenis van stedenbouw in België in kaart te brengen. Hiertoe werden de belangrijkste actoren geïdentificeerd, types archiefvormers van wie het archief belangrijke informatie bevat over de periode van de wet en de decennia erna. De nadruk ligt hierbij op private archiefvormers, omdat de toestand van hun archief vaak het meest precair is.
* Dit dossier kreeg in maart 2026 een grondige update in het kader van het project Cultureel Erfgoed van de Stedenbouw en de Ruimtelijke Planning. In de bestaande teksten werden aanvullingen opgenomen en links naar de VAi Archiefhub toegevoegd. Daarnaast werd het dossier uitgebreid met Brusselse en Waalse actoren die een belangrijke rol speelden vóór de regionalisering in de jaren 1980. Tenslotte werd er een grotere nadruk gelegd op burger- en participatie-initiatieven en de rol van het verzuilde middenveld. *
De volgende actoren worden in dit dossier besproken:
In het kader van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog was er vanuit het Ministerie van Openbare Werken de wens om grote infrastructuurwerken centraal te coördineren. Het ging in veel gevallen eerder om het verzorgen voor een aantal randvoorwaarden, dan om het voeren van een gecentraliseerd ruimtelijk beleid waarbij op nationaal niveau gepland werd. Het Bestuur van de Stedebouw en de Hoge Raad voor de Stedebouw, beiden opgericht in 1945, voorzagen wel om het grondgebied beter in kaart brengen aan de hand van onderzoeken en studies.
Daarom werd in 1948 de Dienst voor de Nationale Survey opgericht. Deze deed beroep op verschillende studiebureaus om streekstudies te laten opstellen. Deze studies legden geen bindende voorwaarden op, maar duwden gemeenten in de richting van een meer planmatig beleid. Het ontbrak echter aan een duidelijk wettelijk kader. Dat kwam er met de wet op de stedenbouw van 1962, die voorzag dat er bindende streek- en gewestplannen zouden worden opgesteld die het grondgebied zouden verdelen in woon-, industrie-, landbouw- en natuurgebied. Deze nieuwe filosofie werd ook weerspiegeld in de eerdere naamsverandering van het Bestuur van de Stedebouw naar het Bestuur van de Stedebouw en Ruimtelijke Ordening in 1958.
De gewestplannen werden opnieuw gemaakt door verschillende studiebureaus, onder toezicht van de Nationale Commissie voor de Ruimtelijke Ordening (NCRO). Dit proces sleepte om verschillende redenen bijzonder lang aan: de meeste gewestplannen werden uiteindelijk pas halverwege de jaren 1970 en '80 gepubliceerd, met het gewestplan van Luik als laatste in de rij in 1987. De gewestplannen vormden het kader waarbinnen gemeenten hun eigen Algemeen Plan van Aanleg (APA) en Bijzondere Plannen van Aanleg (BPA) dienden in in te schrijven. Ondertussen was er werk gemaakt van een tweede staatshervorming, waarbij België een federale staat werd met gescheiden Vlaamse en Waalse bevoegdheden.
Door deze regionalisering werden grondgebonden bevoegdheden doorgegeven van het nationale naar het regionale niveau. Beleid rond Ruimtelijke Ordening, Openbare Werken en Leefmilieu kwam dus bij de Vlaamse, Brusselse en Waalse overheid te liggen. In Vlaanderen transformeerde het Bestuur van de Stedebouw in de Administratie voor Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu (AROL). In Brussel werd het Bestuur Ruimtelijke Ordening en Huisvesting (BROH) de verantwoordelijke instantie. In Wallonië tenslotte was er een belangrijke rol weggelegd voor de Direction générale de l'Aménagement du Territoire (DGAT) en de Société de développement régional pour la Wallonie (SDRW).
De archieven van de nationale overheidsdiensten zitten verspreid over de verschillende afdelingen van het Rijksarchief. In de praktijk is er van veel van de voormalige overheidsdiensten echter geen concreet archief bijgehouden. Dat geldt voor commissies, adviesraden en werkgroepen, omdat het tijdelijke organen waren waar archiefvorming vaak geen prioriteit was. Archiefmateriaal rond de gewestplannen is te vinden in de archieven van de bevoegde gewesten (Archief Vlaanderen, Archives Regional de Wallonie, Rijksarchief Beveren en ConnectMemory).
Verder zijn er van overheidsdiensten ook heel wat gepubliceerde bronnen te vinden, zoals de Atlas van de Nationale Survey, de verschillende richt- en gewestplannen, en het tijdschrift Cahiers d'Urbanisme, dat tussen 1949 en 1968 met steun van het Ministerie van Openbare Werken werd uitgegeven. Tenslotte geven ook de archieven van ambtenaren met een lange loopbaan bij de overheid, zoals Victor Bure of Leopold Hendrickx, een goed beeld van de instellingen waarvoor ze werkten.
In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog was de Minister van Openbare Werken de eindverantwoordelijke voor het nationale planningsbeleid. In de nasleep van de wet op de stedenbouw in 1962 kwam er ook een Staatssecretaris voor Huisvesting en Ruimtelijke Ordening. Deze post werd steeds gedeeld door een Vlaamse en een Waalse vertegenwoordiger. In het begin van de jaren 1970 kwam er ook een post voor een Minister van Leefmilieu. Het beleid werd op die manier door drie ministers beïnvloed.
Tijdens het voorbereiden van de regionalisering op het einde van de jaren 1970 werden de bevoegdheden voor Ruimtelijke Ordening gelegd bij de Staatssecretarissen voor het Vlaamse, Brusselse en Waalse Gewest. Zij combineerden vaak verschillende beleidsdomeinen die zouden worden overgedragen, en zijn vaak ook sleutelfiguren in de eerste Gewestelijke regeringen die in de jaren 1980 verkozen worden.
Voor politici zijn er twee soorten archief te vinden: kabinets- en privéarchieven. Kabinetsarchieven bieden een bijzonder interessante inkijk in het beleid van een politicus, maar zijn vaak (nog) niet consulteerbaar. Voor de meeste moet namelijk een ontsluitingstermijn van dertig jaar gerespecteerd worden. Tijdens hun politieke loopbaan vormen politici vaak ook interessante privéarchieven, waarin eveneens sporen van hun politieke activiteiten terug te vinden zijn. Vaak zijn politici zich bewust van het belang van hun privéarchief en schenken ze het na hun carrière of na hun dood aan bewaarinstellingen. Archieven van politici worden vaak bewaard door de bewaarinstelling die correspondeert met de politieke strekking van de archiefvormer. Ook stadsarchieven bewaren soms archiefmateriaal van politici.
Enkele nationale, regionale en lokale politici die een rol speelden in de naoorlogse ruimtelijke ordening zijn:
Ministers van Openbare Werken:
Vlaamse/Waalse staatssecretarissen bevoegd voor Ruimtelijke Ordening:
Schepenen voor Ruimtelijke Ordening en/of Openbare Werken:
Tijdens het interbellum waren er in Brussel al opleidingen stedenbouw aan La Cambre en het Institut d'Urbanisme van de ULB. Ook aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent werd er sinds 1935 al een vak 'Stedebouw en Tuinaanleg' gedoceerd.
Na de Tweede Wereldoorlog werd het stedenbouwkundig onderwijs sterk uitgebouwd. Door de naoorlogse wederopbouw, de wet op de stedebouw van 1962 en de opmaak van gewestplannen was er een hoge nood aan geschoolde stedenbouwkundigen. Er kwamen verschillende nieuwe opleidingen aan architectuurinstituten en universiteiten in Antwerpen, Gent, Leuven, Brussel, Luik en Bergen. Iedere opleiding stedenbouw had een specifiek ideologisch en inhoudelijk profiel.
In de periode vanaf 1970 vonden een aantal grote veranderingen plaats in het opleidingslandschap. Op inhoudelijk vlak won de ruimtelijke planning als discipline aan belang, en kwam er een multidisciplinaire verbreding en instroom van de opleidingen. Op het vlak van onderwijsorganisatie was er een verschuiving van avond- naar dagonderwijs, en werden verschillende opleidingen ingekanteld in grotere scholengroepen.
Opleidingsarchieven worden doorgaans door de inrichtende instituten zelf bewaard. Een uitzondering zijn de archieffondsen van de Sint-Lucasscholen, die bewaard worden door het DSMG en KADOC. Er is bij onderwijsinstellingen vaak een opsplitsing tussen het administratief en onderwijsarchief. Beiden bieden heel wat inzicht in de netwerken en ideologische stromingen die aan de opleidingen verbonden waren, of kunnen een aanvulling bieden bij biografisch onderzoek naar stedenbouwkundigen. Informatie over docenten is terug te vinden via de instituten waaraan ze verbonden waren.
Een overzicht van de verschillende opleidingen in België:
Vanuit de onderwijsinstellingen groeiden ook verschillende onderzoeksinstituten. Hun onderzoek was grotendeels gericht op de wetenschappelijk-theoretische kant van de discipline. Naast het schrijven van academische publicaties werkten onderzoeksinstituten ook geregeld in opdracht van de nationale overheid, bijvoorbeeld bij de opmaak van de gewestplannen. Hun archieven worden meestal bewaard in de archieven van de onderwijsinstelling waaraan ze verbonden waren. Er zijn ook verschillende gepubliceerde bronnen, zoals tijdschriften: STERO was bijvoorbeeld een samenwerking tussen onderzoeksgroepen aan de Rijksuniversiteit Gent en de KU Leuven. Namen van oprichters zijn meestal te vinden via het instituut waaraan ze verbonden waren.
Een greep uit de onderzoeksinstituten die werkten rond stedenbouw en ruimtelijke ordening/planning:
Er zijn ook onderzoeksinstituten die voortvloeiden vanuit andere organisaties. Zo hadden verschillende politieke partijen eigen onderzoeksdiensten (CEPESS, SEVI), en waren er ook onderzoeksinstituten die groeiden uit een stedenbouwkundig bureau (ERIPLAN).
Hoewel de opleidingen stedenbouw na de Tweede Wereldoorlog uitgebouwd werden en de discipline zich duidelijker begon af te tekenen, resulteerde dat niet meteen in meer werk of impact van stedenbouwkundigen. Zeker omdat de overheidsadministratie niet noodzakelijk bevolkt werd door gediplomeerde stedenbouwkundigen, maar door ambtenaren met een juridische achtergrond. Door de sterke verwevenheid tussen stedenbouw en architectuur in deze periode, combineerden veel ontwerpers beide disciplines.
Vanaf de jaren 1970 kwam er meer werk voor stedenbouwkundige ontwerpers. In het kader van de gewestplannen zagen gemeentes zich voor infrastructuurwerken namelijk verplicht om Algemene en Bijzondere Plannen van Aanleg (APA’s en BPA’s) te laten ontwikkelen. Op deze manier kwam het beroep van stedenbouwkundig ontwerper los van de architecturale praktijk. Er kwam steeds meer aandacht voor het planningsaspect, dat vanaf de jaren 1970 geprofessionaliseerd werd via de opleidingen.
De archieven van (architect-)stedenbouwkundigen zijn in België bijzonder verspreid. VAi, Kanal Architecture (CIVA) en GAR bewaren als gespecialiseerde architectuurarchiefinstellingen heel wat archieven. Via hun rol als lesgever worden er ook veel archieven van stedenbouwkundigen bewaard door onderwijsinstellingen (onder andere de UGent, KU Leuven, ULB en UCLouvain). Doordat men vaak in opdracht werkte voor lokale overheden, is er ook heel wat archiefmateriaal bij de stads- en gemeentearchieven. Het gaat dan vooral over plannen van aanleg of vergunningsaanvragen.
Voorbeelden van (architect-)stedenbouwkundigen zijn:
De stedenbouwkundige praktijk evolueerde merkbaar na de Tweede Wereldoorlog. Met Groupe l'Équerre en EGAU bestonden er in het Luikse al enkele stedenbouwkundige bureaus, maar tot dan toe combineerden ontwerpers stedenbouw en architectuur meestal in een persoonlijke praktijk. In de naoorlogse periode werd er steeds meer in team gewerkt, getuige de oprichting van bureaus als Groupe Structures, Groupe Alpha of Tekhné. Zeker na de wet op de stedenbouw in 1962 werden er heel wat stedenbouwkundige bureaus opgericht. Hun insteek kon echter zeer verschillend zijn: sommige bureaus profileerden zich nadrukkelijk internationaal, anderen werkten vooral lokaal, terwijl nog anderen meer vanuit een theoretische benadering vertrokken.
Archieven van stedenbouwkundige bureaus worden in België zeer verspreid bewaard. Naast de architectuurarchiefinstellingen - VAi, Kanal Architecture (CIVA) en GAR - zijn verschillende archieven opgenomen door de universiteitsarchieven van de UGent, KU Leuven, ULB, UCLouvain en ULiège. Ook in stadsarchieven wordt soms archiefmateriaal bewaard van stedenbouwkundige bureaus, zoals vergunningsaanvragen en plannen van aanleg.
Dit zijn enkele belangrijke stedenbouwkundige bureaus:
Vanaf de jaren 1960 en '70 evolueerde het veld onder invloed van enkele maatschappelijke tendensen aanzienlijk. In plaats van een individuele ontwerpende praktijk die vaak gecombineerd werd met architectuur, werd er rond stedenbouwkundige vraagstukken steeds vaker samengewerkt tussen mensen met verschillende disciplinaire achtergronden. Er kwam een allesomvattende visie op ruimte waarbij ruimtelijke problemen werden benaderd vanuit verschillende invalshoeken. Dit vertaalde zich binnen de opleidingen naar een instroom van studenten vanuit diverse vooropleidingen en een nood aan nieuwe vakinhouden, en binnen het professionele veld naar de oprichting van interdisciplinaire samenwerkingen en het ontstaan van nieuwe onderzoeksmethodes.
Enkele andere beroepsprofielen in het veld zijn:
De eerste beroepsverenigingen voor stedenbouwkundigen ontstonden al in de jaren 1920, met als bekend voorbeeld de Société des Urbanistes Belges (SUB). Deze vereniging werd al snel omgevormd tot de Société des Urbanistes et Architectes Modernistes (SBUAM). Met de Belgische Federatie voor Stedebouw en Huisvesting kwam er in 1938 ook een koepelorganisatie die zich inzette om alle activiteiten en projecten in de sector te combineren. Zij organiseerden vanaf 1951 de Dag van de Stedenbouw, die elk jaar in een andere stad en rond een ander thema werd gehouden.
In de jaren 1960 verenigden stedenbouwkundigen zich ook in regionale beroepsverenigingen. De Bond voor Vlaamse Stedebouwkundigen (BVS) richtte zich op Nederlandstalige leden, terwijl de leden van de Chambre des Urbanistes de Belgique (CUB) grotendeels uit Brussel en Wallonië afkomstig waren.
Voor Vlaanderen kwamen daar in latere jaren ook de Vlaamse Federatie voor Planologie (VFP) en het Genootschap Planologie (GP) bij. De beroepsverenigingen hadden elk hun eigen doelgroep: de BVS bracht vooral stedenbouwkundige ontwerpers samen, de VFP had een meer theoretisch-academische insteek, en GP verenigde vooral stedenbouwkundigen met een achtergrond als ingenieur-architect. De drie verenigingen werden in 1997 uiteindelijk samengevoegd tot de Vereniging voor Ruimte en Planning (VRP).
Ook internationaal kwamen er beroepsverenigingen, zoals de International Society of City and Regional Planners (ISOCARP) en de European Council of Spatial Planners (ECTP). Tenslotte waren er ook verenigingen van oud-studenten, zoals aan de ULB of de UCL.
Er zijn weinig archieven van beroepsverenigingen bewaard. Omdat er veelal geen vast personeel in dienst was, was archiefzorg voor beroepsverenigingen zelden een prioriteit. Het VAi bewaart het archief van de BVS en de VRP. Verder zijn uitgegeven tijdschriften of verslagen van georganiseerde studiedagen een goede bron om een inkijk te krijgen in de werking van zulke beroepsverenigingen.
De opmaak van de gewestplannen in de jaren 1960 en '70 werd door de overheid uitbesteed aan verschillende studiebureaus. Deze opdracht vereiste een vooronderzoek dat volledig in kaart bracht hoe mensen met de ruimte rond zich omgingen. Men onderzocht de aanwezigheid van groene zones, de mogelijkheden tot vrije tijd, het woon-werkverkeer, de impact van toerisme, enz. Dit proces bracht binnen zulke studiebureaus professionals met allerhande achtergronden samen. In tegenstelling tot onderzoeksinstituten werd bij studiebureaus bijna uitsluitend in opdracht gewerkt, waardoor de nadruk van het onderzoek meer op praktische aspecten lag.
Er kwam voor de gewestplannen een soort geografische taakverdeling tussen de verschillende studiebureaus. Ook verschillende overheidsorganisaties, onderzoeksinstellingen en intercommunales voerden voorbereidende studies uit voor de gewestplannen. De uiteindelijke verdeling zag er als volgt uit:
Na de voorstudies bezorgen de studiebureaus de voorontwerpen aan het Bestuur van de Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening en het kabinet van de Staatssecretaris voor Ruimtelijke Ordening, die de plannen aanpasten en goedkeurden. Dit zorgde ervoor dat de er, onder druk van politici en projectmakelaars, nog verschillende wijzigingen aan de plannen werden gemaakt. Bovendien was de gewestplanning toen opgevat als een statisch proces, waardoor er geen termijn ingebouwd werd waarbinnen de gewestplannen herzien zouden worden.
Van de studiebureaus is vooral heel veel gepubliceerd bronnenmateriaal te vinden. Het gaat om surveys, studierapporten en de voorontwerpen van de richtplannen en de gewestplannen. Er zijn echter bijzonder weinig archieven bewaard.
In het kader van enkele grote infrastructuurprojecten van het Ministerie van Openbare Werken en de komst van de gewestplannen, werden in de jaren 1960 en '70 heel wat intercommunales opgericht. Door deze intergemeentelijke samenwerkingsverbanden konden gemeenten enkele noden aanpakken die te groot waren om alleen aan te pakken.
Zo ontstonden er verschillende intercommunales die in samenwerking met het Wegenfonds werkten aan de uitbouw van het autosnelwegennetwerk in België. Vooral tijdens het beleid van minister Jos De Saeger werd een zeer actieve wegenpolitiek gevoerd, met onder andere de aanleg van de E3, E5, E39, E40 en de ring rond Brussel. In 1982 werden deze intercommunales wegens besparingen stopgezet.
Er ontstonden ook intercommunales rond het thema streekontwikkeling. Om de economische ontwikkeling te stimuleren, verenigden gemeentes zich om verkavelings- en woningbouwprojecten te realiseren, industrieterreinen aan te leggen en huisvestingsprojecten uit te voeren. De meeste van deze intercommunales hadden één of meerdere stedenbouwkundigen en planners in dienst. Op hoger niveau dan de intercommunales werkten ook de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappijen (GOM) rond economische- en infrastructuurontwikkeling.
Er is geen duidelijkheid over de archieven van intercommunales die al zijn opgedoekt, zoals verenigingen voor de aanleg van een bepaalde snelweg. Intercommunales die wel nog bestaan, staan in voor de opvolging en onderhoud van door hen gerealiseerde projecten, en bewaren daardoor vaak nog steeds een archief. Omdat ze voor intern gebruik bedoeld zijn, zijn de archieven niet altijd even vlot toegankelijk voor onderzoekers. Verder worden enkele archieven van intercommunales bewaard door het Rijksarchief. Voor verdwenen intercommunales zijn uitgegeven jubileumboeken en jaarverslagen vaak het enige overgebleven bronnenmateriaal.
Enkele voorbeelden van intercommunales rond infrastructuur die ondertussen opgeheven werden, zijn:
Vandaag bestaan er verschillende intercommunales die zich al sinds de jaren 1960-'70 bezig houden met streekontwikkeling. Onder hen houden de volgende allemaal nog steeds (een deel van) hun eigen archief bij:
Huisvestingsmaatschappijen speelden lokaal en regionaal een belangrijke rol in de stedenbouwkundige geschiedenis en woningbouw. De Nationale Maatschappij voor Goedkoope Woningen en Woonvertrekken (NMGWW) werd al opgericht in 1920. Deze begeleidde en controleerde de vele erkende sociale huisvestingsmaatschappijen. De wet op de stedebouw van 1962 maakte het mogelijk voor huisvestingsmaatschappijen om gericht gronden aan te kopen en bouwprojecten te realiseren in nieuwe woon- en woonuitbreidingsgebieden.
Als de organisaties nog bestaan, wordt het archief bewaard omdat het een gebruikswaarde heeft voor de actieve organisatie. Er is daarentegen geen zicht op wat er met de archieven van verdwenen maatschappijen is gebeurd. Gepubliceerde jubileumboeken zijn net als bij intercommunales een dankbare bron en bieden een mooi historisch overzicht.
Er waren in Vlaanderen alleen al meer dan honderd sociale huisvestingsmaatschappijen werkzaam. Enkele voorbeelden zijn:
Jubileumboeken:
Vanaf de jaren 1970 groeide, zowel onder burgers als in de politiek, het besef dat het beleid directe gevolgen had voor de ruimte en het leefmilieu. Ruimtelijke ordening is echter een complexe materie met heel wat in elkaar schuivende domeinen. Daarom was er nood aan vorming, zowel voor mensen die er beroepsmatig mee in aanraking kwamen als voor geïnteresseerden. Deze vorming werd ingehaakt in het socio-culturele netwerk van middenveldorganisaties. Deze waren ondertussen niet meer zo sterk verzuild als voor de Tweede Wereldoorlog, maar hadden nog steeds een sterke ideologische achtergrond, insteek en werking.
De werking van deze middenveldorganisaties was zeer divers en sloeg een brug tussen burger en politiek. Het ging om het organiseren van opleidingen voor kabinetsmedewerkers en het schrijven van cursussen voor de achterban, het organiseren van werkgroepen en studiedagen, het uitbrengen van studies, tijdschriften en brochures. De vormingsorganisaties werkten nauw samen met de studiediensten van de partijen, bijvoorbeeld in het formuleren van adviezen.
Het Instituut voor Politieke Vorming (IPOVO) was verbonden aan de CVP, het Vormingscentrum Herman Vos (VHV) aan de SP, het Instituut voor Volksopleiding en Kadervorming (IVK) aan de PVV, het Vormingscentrum Lodewijk Dosfel (VCLD) aan de Volksunie, en het Instituut voor Marxistische Vorming (IMAVO) en het Masereelfonds aan de KPB. Vooral de Christelijke zuil was bijzonder actief rond stedenbouw en ruimtelijke ordening, met ook nog de Kultuur- en Vormingsdienst voor de Middengroepen (KVD) binnen de NCMV en de Katholieke Werklieden Bond (KWB) binnen het ACW.
Naast politieke partijen kwam er ook socio-culturele vorming vanuit de taalgebonden organisaties. Het Willemsfonds en Davidsfonds organiseerden via hun plaatselijke afdelingen verschillende activiteiten rond ruimtelijke ordening en leefmilieu. In Brussel fungeerde de Agglomeratieraad van de Nederlandstalige Brusselse Jeugd (ANBJ) als ontmoetingsplek voor burgers die wilden discussiëren over de leefbaarheid van hun eigen wijk. Hieruit groeide de Brusselse Raad voor Leefmilieu (BRAL), die gesteund werden door de Nederlandse Commissie voor de Cultuur (NCC).
Tenslotte waren er ook verschillende niet-partijgebonden of vrijzinnige vormingsorganisaties. Vormingscentrum Intermedium richtte zich op maatschappelijk zwakkere groepen, Centrum voor Rekreatief Werk (CRW) werd opgericht vanuit de Gezinsbond, en Volkshogeschool Elcker-Ik had een meer activistisch karakter.
Binnen het netwerk van de middenveldorganisaties waren er ook een aantal organisaties die niet direct of uitsluitend rond ruimtelijke ordening of leefmilieu werkten, maar via hun bredere werking verschillende actiegroepen, burgerbewegingen en inspraakorganisaties ondersteunden. Het ging bijvoorbeeld om het faciliteren van lezingen en opleidingen, het organiseren van tentoonstellingen, het publiceren van boeken en onderzoek, of het huisvesten van kleinere groeperingen. Op deze manier vormden deze intermediaire organisaties de voedingsbodem voor heel wat actiegroepen om hun activiteiten te ontplooien.
Enkele voorbeelden van zulke intermediaire organisaties:
Een spilfiguur binnen dit netwerk was Wim Kennis, wiens archief bewaard wordt door AMVB en KADOC. Kennis was via de Stichting Lodewijk De Raet de groep Brukselbinnenstebuiten begonnen, en was voor de Koning Boudewijnstichting betrokken bij de begeleidingsgroepen 'ruimtelijke ordening' en 'hoofdstraten en hoofdpleinen'. Voor de Kultuur- en Vormingsdienst voor de Middengroepen (KVD) verdiepte hij zich bovendien in het 'commercieel urbanisme', wat hij ontwikkelde in het programma 'ruimte voor handel en wandel'.
Op het einde van de jaren 1960 en de jaren 1970 vormden zich een groot aantal protestgroepen, burgerinitiatieven en actiecomités, die zich verzetten tegen bepaalde ingrepen in hun leefmilieu. Deze actiegroepen groeiden vaak rond kleinschalige en contextgebonden acties. Slechts enkelen slaagden er in om een langdurige of overkoepelende werking uit te bouwen.
Er waren ook organisaties die eerder inzetten op burgerinspraak en participatie dan op actievoeren. Ze bundelden bewonersvragen en protesten, verzorgden volksopleidingen, en stemden af met lokale overheden. Het idee hierachter was dat stedenbouw en ruimtelijke planning een participatief en breed gedragen proces moest zijn, waarbij verschillende groepen in de samenleving samen de ruimte vormgaven.
Je kan voor archieven van actiegroepen en inspraakoragnisaties terecht bij Amsab, ETOPIA, AMVB en het Documentatiecentrum Inter-Environnement Bruxelles. Van sommige lokale groeperingen is ook materiaal bewaard in stads- en gemeentearchieven. Archieven van actiegroepen bevatten vaak een administratief deel (bestuur, vergaderverslagen) en een inhoudelijk deel (materiaal rond acties, ledenbladen, knipselmappen). Er is vaak ook visueel materiaal aanwezig, zoals affiches, pamfletten, petities of foto’s.
Hieronder volgt een niet-exhaustieve selectie van actiegroepen en inspraakorganisaties:
Actiegroepen rond infrastructuur en mobiliteit:
Actiegroepen rond leefmilieu:
Actiegroepen rond natuurbehoud:
Koepelorganisaties:
Inspraak en participatie-groepen:
Actiegroepen en participatieorganisaties bestaan uit een groep geëngageerde mensen, die proberen vanuit het collectief iets te betekenen voor de samenleving. Toch vallen er in zulke groepen ook individuen op, door de centrale plaats die ze innamen in het netwerk.
Enkele voorbeelden zijn:
Reactie tegen het beleid kwam er ook van pers en critici. Ruimtelijke ordening werd door de pers vaak gezien als een lokale aangelegenheid, waardoor er weinig nationale journalisten zich met het thema bezig hielden. Toch was er bij de meeste kranten wel minstens één specialist aanwezig: Peter Renard, Frank De Moor en Dirk Draulans bij Knack, Herman Sourbron bij Het Belang van Limburg, Guy Van den Broek bij De Tijd, Paul Staes bij Het Nieuwsblad.
Tenslotte verenigden critici zich ook in denktanks, om via het formuleren van kritische teksten, stellingen en adviezen te wegen op het beleid. Voorbeelden hiervan zijn Stedenbouwwacht en D7.
Het bronnenmateriaal van pers en critici is op te splitsen in:
Journalisten hebben vaak echter weinig oog voor het bewaren van hun persoonlijk archief. Uitzonderingen zijn de archieven van Peter Renard en Paul Staes, die beiden door Amsab bewaard worden.
De impuls tot stedenbouwkundige aanpassingen kwam er dikwijls via stedenbouwkundige wedstrijden. Zelfs als wedstrijden uiteindelijk niet leidden tot een uitgevoerd project, zorgden ze toch vaak voor het ontstaan van nieuwe ideeën, een nieuwe manier waarop over ontwerp gedacht werd, en/of het leggen van internationale contacten.
Stedenbouwkundige wedstrijden werden vanuit heel wat verschillende hoeken georganiseerd.
Een vaak voorkomende opdrachtgever waren overheidsdiensten, zoals het Nationaal Instituut voor Huisvesting (NIH) en het Ministerie voor Openbare Werken. In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog waren er vooral wederopbouwprojecten, terwijl er later meer wedstrijden voor geïntegreerde woonwijken waren, waarbij esthetiek, rationele planning en sociale huisvesting samen kwamen. Voorbeelden hiervan zijn de wedstrijden rond de aanleg van de Parkwijken in Marcinelle (1958) en Antwerpen (1961). Na de wet van 1962 schreven ook lokale besturen steeds vaker wedstrijden uit.
Vanuit commerciële hoek werden soms ook wedstrijden uitgeschreven. Handelaars ontvingen hun cliënteel liever in een nette en goed aangelegde straat of wijk. Ze verenigden zich om hieraan bij te dragen, door eigen acties of om druk te zetten op de lokale overheid en politici politiek. De internationale stedenbouwkundige wedstrijd Gent Morgen (1971) kwam er bijvoorbeeld op initiatief van de Internationale Jaarbeurs van Gent, een handelaarscollectief rond Fritz Meyvaert.
Ook onderwijsorganisaties hielden stedenbouwkundige wedstrijden. Universiteitscampussen vereisten door hun grootte en verschillende functies namelijk een soortgelijke planning als grotere planningsvraagstukken. In 1969 schreven de Vrije Universiteit Brussel (VUB) en de Université Libre de Bruxelles (ULB) een internationale wedstrijd uit voor de aanleg van de Campus Oefenplein.
Vanaf de jaren 1970 kwamen er ook enkele wedstrijden die georganiseerd werden door burgerinitiatieven. Stad aan de Stroom was bijvoorbeeld zo'n project in Antwerpen, waar het stedenbouwkundige luik van het project werd gecombineerd met een breed gedragen publiekswerking en een kunstenprogramma. In 1990 organiseerde Stad aan de Stroom een internationale wedstrijd voor drie Antwerpse wijken: het Eilandje, de Kaaien en het Zuid. Op basis van de resultaten van deze prijsvraag werden in een tweede fase concrete plannen uitgewerkt, maar in 1994 verloor Stad aan de Stroom hun financiering.
Tenslotte nog twee laatste actoren die stedenbouwkundige wedstrijden organiseerden: intercommunales en internationale collectieven. De wedstrijd Hoog Kortrijk (1990) is een voorbeeld van de eerste, het Europan-concours (vanaf 1988) een voorbeeld van het tweede.
Er is weinig zicht op waar het archiefmateriaal rond stedenbouwkundige wedstrijden zich precies bevindt. Vaak is er wel materiaal te vinden bij de archieven van de betrokken steden en gemeentes. Zo bewaart Archief Gent verschillende dossiers rond de wedstrijd Gent Morgen, en zijn er in het Felixarchief en het VAi archieven van Stad aan de Stroom.