Bedreigd - Gesloopt - Beschermd

Bedreigd - Gesloopt - Beschermd


Op 13 september 2026 organiseert Herita een nieuwe editie van Open Monumentendag. Het thema van dit jaar ‘In goede handen’ staat stil bij de mensen, de kennis en de zorg die ons erfgoed veiligstellen. Ook archieven spelen een belangrijke rol bij de zorg voor onze kwetsbare monumenten. Zij maken duidelijk waarom bepaalde gebouwen waardevol zijn en hoe ze moeten beschermd en bewaard worden. Niet te verwonderen dat de voorbije decennia talrijke restauratiearchitecten, monumentenzorgers en bouwhistorici hun weg vonden naar de VAi-collectie.

Naar aanleiding van Open Monumentendag blikt het VAi terug op inspirerende, verrassende of schrijnende voorbeelden van monumentenzorg uit haar collectie. De verhalen tonen hoe in een ver en recent verleden op uiteenlopende manieren werd omgegaan met monumentenzorg, restauratie en herbestemming.

Een prachtig gerestaureerde gevel, een knappe herbestemming of een verborgen parel achter een gesloten deur. Dankzij vele goede handen die zorgen, herstellen en bewaren, blijft erfgoed springlevend.

Archivalisch bewaren is niet voldoende. Het bewaarde moet eigentijds worden gebruikt en moet een moderne - architecturale - omkadering krijgen. Zo krijgt het letterlijk een betekenisvolle plaats in een veranderde omgeving en kan het zijn historische betekenis ook vandaag nog kritisch laten functioneren.

Luc Verpoest, 'Het erfgoed Brunfaut', in 'Het Paleis op de Heide. Architect Maxime Brunfaut en het sanatorium van Tombeek', Antwerpen-Gent, 2009

'De Tweede Wereldoorlog met moeite overleefd'. De Sint-Catharinakerk in Diegem

Om de landingsbaan van het militaire vliegveld van Melsbroek vrij te houden, liet de Duitse bezetter in 1943 de toren van de beschermde Sint-Catharinakerk steen voor steen afbreken. De demontage gebeurde onder leiding van architect Frans De Groodt (1912-2009). Elke steen werd genummerd, naar beneden gebracht en op een grasveld naast de kerk gerangschikt.

Na de oorlog, in 1950-1951, stond De Groodt ook in voor de heropbouw van de toren. De film 'Stenen van Diegem' uit 1953 schetst een beeld van de werkzaamheden.

In 2017 werd Studio Roma aangesteld voor de opmaak van een beheersplan en voor de restauratie van het interieur en de zolders van de kerk. Samen met de kerkfabriek gingen ze ook op zoek naar mogelijkheden voor een eventuele herinrichting, waarbij naast de functie van eredienst ook ruimte gecreëerd werd voor nevenbestemmingen.

Verborgen parel in ere hersteld. De Bourgondische kapel in Antwerpen

De Bourgondische kapel was een huiskapel in laatgotische stijl uit omstreeks 1490. Ze maakte deel uit van het Hof Van Immerseel en bevond zich op de eerste verdieping van het gebouw. Sinds de publicatie door baron André Jolly in 1858 wordt ze 'Bourgondische kapel' genoemd, afgeleid van de iconografie van de muurschilderingen.

Na jaren van verval kwam het Hof van Immerseel in 1876 in bezit van de dames de Beukelaer. Zij lieten de kapel en de schilderingen restaureren en herwerken door architect François Baeckelmans (1827-1896). Het glazeniersatelier Stalins en Janssens stelde in de jaren 1880 ook de glas-in-loodramen opnieuw samen, onder meer met de overblijvende fragmenten.

Vanaf 1972 volgde een grondige restauratie onder leiding van architect Joseph Louis Stynen (1907-1991), met conservering van de schilderingen door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium.

De oude stad verdwijnt. De Vleeshuiswijk in Antwerpen

In de jaren 1950 besloot het Antwerpse stadsbestuur de sterk verwaarloosde historische wijk rond het Vleeshuis te saneren. Een eerste voorstel (1959) voorzag de bijna volledige afbraak en heropbouw, met grote verkeersaders, open ruimtes en vrijstaande hoogbouw. Een 160-tal woningen gingen onder de sloophamer. Een aantal ervan werden later heropgericht in het Openluchtmuseum Bokrijk. Stedelijk architect Lode De Barsée (1914-1990) stelde een inventaris op van alle gebouwen die hiervoor in aanmerking kwamen.

In Antwerpen kregen het project en de daarbij horende afbraakwerken felle tegenkanting. Onder de actievoerders bevonden zich onder meer de Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedeschoon (KVNS) en het pas opgerichte Aktiekomitee Oude Stadskern (AGOS), een koepel die tal van groeperingen en zwaargewichten uit de plaatselijke cultuursector samenbracht tegen de verregaande verloedering en sloop van de historische stadskern.

Onder deze aanhoudende druk paste het stadsbestuur haar plannen aan. Centraal in de Vleeshuiswijk voorzagen ze een zone voor gegroepeerde sociale woningbouw, met daarrond grotendeels het behoud van de bestaande toestand, zowel qua stratentracé als qua architectuur. De uitvoering van de sociale woningbouw werd eind 1967 toevertrouwd aan de sociale huisvestingsmaatschappij Onze Woning en architect Roger Groothaert (1928-2007).

Over de tussen 1978 en 1988 gerealiseerde Vleeshuiswijk bestaan uiteenlopende meningen. Voor Vlaanderen betekende het project een keerpunt qua stadssanering. Het modernistische tabula rasa werd ingeruild voor een hedendaagse architectuur en stedenbouw die zich tracht in te schrijven in het bestaande historische stadsbeeld. In 1988 won het project de prijs Europa Nostra (de prijs van de Europese Unie voor Cultureel Erfgoed) 'for the exemplary restoration and rehabilitation of the inner city area'.

Critici vonden het project te ingrijpend, eentonig en monofunctioneel. Zij stoorden zich ook aan de combinatie van historiserende en moderne elementen in de gevels en de wanverhouding tussen de vrij hoge bebouwing en het bewaarde stratentracé.

Deze prachtige oude stadskern, die we in zijn geheel als monument kunnen beschouwen, staat ten dode opgeschreven want hij voldoet niet meer aan de eisen van deze tijd... De gevolgen van deze teorie zijn reeds gedeeltelijk merkbaar te Antwerpen, waar ze oorzaak is van een niet te stuiten afbraakijver, die de stad stilaan omvormt tot een waarachtig ruïnelandschap.

W. Cogge en W. Toubhans, 'Revalorisatie van de Antwerpse historische stadskern', in Natuur- en Stedenschoon, 3 (1966)

Van burcht tot luxueuze residentie. Kasteel Cantecroy in Mortsel

Het kasteel Cantecroy is een van de oudste burchtsites in de Antwerpse regio. Het speelde sinds de middeleeuwen een belangrijke rol in de geschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden. Om de burcht haar militaire rol te ontnemen, kocht de stad Antwerpen in 1618 het domein. Het kasteel werd ontmanteld (muren, bastions en toren). Alleen het poortgebouw (later verbouwd tot herenhuis), de kapel met kapelanie en de boerderij met stallingen bleven overeind.

Toen de familie De Groodt het domein in 1914 verwierf, bleven van het oude kasteel alleen nog deze drie gebouwen over. Dankzij een studiebeurs van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen maakte de jonge architect Frans De Groodt (1912-2009) in het begin van de jaren 1930 een architectuurhistorische studie van de site. Hij tekende gedetailleerde opmetingsplannen en werkte enkele restauratie- en uitbreidingsvoorstellen uit. In die periode was het kasteel een centrum van cultureel leven door de vele intellectuelen, kunstenaars, wetenschappers en ook politiekers die er te gast waren.

Na de Tweede Wereldoorlog evolueerde de site naar zijn huidige uitzicht. De toenmalige eigenaars lieten nieuwe gebouwen oprichten, gedeeltelijk met recuperatiemateriaal uit Antwerpen en omgeving. Ze baseerden zich daarbij op oude tekeningen van de burcht en haar omgeving. Vandaag is het kasteel een luxueuze residentie voor senioren.

'Vlooienpaleis' wordt prestigieus universitair gebouw. Het Pand in Gent

In de 19de eeuw kwam Het Pand in particuliere handen. Dit voormalige dominicanenklooster in Gent deed in de loop der jaren onder meer dienst als woonkazerne, opslagplaats en garage. Investeringen in onderhoud en herstel bleven vrijwel achterwege. Uiteindelijk werden de gebouwen in 1955 onbewoonbaar verklaard. Voor de eigenaar was dit onbewoonbare, maar intussen geklasseerde complex niets meer waard. Zijn pogingen om het uitstekend gelegen terrein te verkopen aan bouwspeculanten, werden door de stad verhinderd. In 1963 kocht de Gentse Rijksuniversiteit de verloederde gebouwen om het te verbouwen tot een studentenhome. De stedelijke dienst voor Monumentenzorg vond echter dat het oude dominicanenklooster als unieke getuige beter verdiende en schreef een restauratie voor.

Zeven jaar na de aankoop droeg de universiteit het complex over aan de Belgische Staat om het te laten restaureren. De afspraak was dat de gebouwen nadien opnieuw door de universiteit in gebruik werd genomen. Het Ministerie van Openbare Werken droeg de kosten van de restauratie. De Regie Der Gebouwen volgde de werken op. Architect Michel Bourgois (1936-2011) nam de leiding op zich. De restauratie startte in 1971. Ze werd een collectief project van archeologen, architecten en kunsthistorici. Het uitgangspunt was dubbel: naast het maximale behoud van de waardevolle en originele gedeelten, ook het aanvaarden van eigentijdse oplossingen voor architecturale en infrastructurele problemen.

Na een lange restauratieperiode werd Het Pand vanaf 1991 het congres- en cultuurcentrum van de Universiteit Gent. Het was één van de meest representatieve ruimtes van de universiteit in de binnenstad. In 2023 besliste de universiteit weg te trekken uit Het Pand nadat de Regie der Gebouwen de huurprijs drastisch verhoogde. Deze gebouwendienst van de federale regering heeft nog geen nieuwe invulling voor het vroegere dominicanenklooster.

De essentie van een monument ligt in zijn relatie met het verleden en met de artistieke of maatschappelijke waarde die het thans vertegenwoordigt, met andere woorden: in zijn toekomstwaarde.

Michel Bourgois, 1982

Universiteit hertekent stadspaleis. Het Hof Van Liere in Antwerpen

Het Hof van Liere of Prinsenhof werd in 1516 gebouwd in opdracht van de Antwerpse burgemeester Aert van Liere. De oorspronkelijke 16de-eeuwse kern groeide in de daaropvolgende eeuwen uit tot een homogeen geheel van sterk gerestaureerde traditionele en neotraditionele vleugels rondom drie binnenplaatsen.

Beeldbepalend voor het huidige uitzicht van de site zijn de herstellings-, restauratie- en uitbreidingswerken van 1930-1932. Zij werden in opdracht van de jezuïeten uitgevoerd door de architecten Jaak Alfons Van der Gucht (1860-1945), Fernand Defever (1902-1961) en Léon De Vroey (1901-1973). Het complex dat zij creëerden werd bij latere ingrepen in grote lijnen gerespecteerd.

De jezuïeten van de Sint-Ignatius-handelshogeschool waren in 1929 in bezit gekomen van het Hof Van Liere. Zij gaven de gebouwen hun definitieve bestemming als onderwijsinstelling. In 1988 kochten de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius (UFSIA) het complex van de jezuïeten. Sinds 2003 is de voormalige patriciërswoning het centrum van de stadscampus van de Universiteit Antwerpen.

Herbestemming van het voormalig kapucijnenklooster in Sint-Truiden

Het 17de-eeuwse kapucijnenklooster werd opgeheven tijdens de Franse Revolutie en speelde daarna een belangrijke rol in de plaatselijke gezondheidszorg. Vanaf de jaren 1970 degradeerden de gebouwen tot een aftands en onaangepast complex, dat voor vele inwoners maar beter kon gesloopt worden. De bescherming van de site in 1976 voorkwam de afbraak.

In opdracht van het O.C.M.W. maakte de Studiegroep Jos Martens, André Impens, Louis Coolen en Sieg Vlaeminck in 1978-1979 een architectuurhistorische studie van het voormalige klooster en zijn stedelijke context, met een ontwerp voor de renovatie en de nieuwe bestemming als O.C.M.W.-zetel, sociale dienst en dienstencentrum. De restauratie- en bouwwerken startten in 1983. In een eerste fase werd een nieuwe administratieve vleugel opgetrokken. Daarna volgden de restauratie van de als monument beschermde gebouwen en de nieuwbouw van het dienstencentrum. Het uitgebreide archeologisch onderzoek van de Afdeling Monumenten en Landschappen tijdens de werkzaamheden leverde belangrijke informatie voor de restauratie van het voormalige klooster.

Een monument staat niet alleen... In de toekomst wordt dit kloostercomplex een dynamisch en veelzijdig centrum voor maatschappelijk welzijn dat zich meer dan ooit moet openen naar de bevolking toe. Het moet sociaal en architecturaal zijn bereikbaarheid manifesteren, zonder evenwel zijn identiteit prijs te geven.

Jos Martens, Sieg Vlaminck en Louis Coolen, 'Het Capucijnenklooster te Sint-Truiden. Een maatschappelijke toekomst voor een religieus verleden', in Monumenten en Landschappen, 1 (1988)

Een 18de-eeuwse gevel verhuist. Het hotel de Fraula in Antwerpen

Het hotel de Fraula behoort tot het latere oeuvre van Jan Pieter van Baurscheit de Jonge (1699-1768). Het was de eerste patriciërswoning die hij ontwierp in zijn geboortestad Antwerpen. Dit voorname herenhuis bevond zich oorspronkelijk in de Keizerstraat en werd gebouwd voor burggraaf Thomas Augustin Joseph de Fraula in 1738-1739.

In 1963 werd het hotel gesloopt om plaats te maken voor een studentenhome en -restaurant van de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius. Georges de Belder kocht het afbraakmateriaal van de voorgevel op en liet het na een gedetailleerde opmeting en nummering opslaan op zijn domein in Kalmthout. Bij de bouw van haar nieuwe kantoren aan de Meir, Wapper en Jodenstraat in Antwerpen (1983-1986) liet de Generale Bank door architect Luc Fornoville (1932-2024) het gereconstrueerd gevelfront van het voormalige hotel integreren in het nieuwbouwcomplex.

Stadswal moet wijken voor infrastructuurwerken. De Brialmontomwalling in Antwerpen

Rond het midden van de 19de eeuw besliste de Belgische regering de verdediging van het land uit te bouwen rond één belangrijke vestingstad: het nationaal reduit Antwerpen. Dit resulteerde in de bouw van een nieuwe stadsomwalling en een fortengordel rond de stad. De oude 16de-eeuwse Spaanse Vesten werden afgebroken en vervangen door de Leien. Groot pleitbezorger van dit project was Henri Alexis Brialmont (1821-1903).

De nieuwe stadsomwalling, of Brialmontomwalling, liep over een lengte van 13 km. Ze omsloot een deel van de haven, Berchem en Borgerhout. De constructie bestond uit een aarden wal met walgang en borstwering op een bakstenen onderbouw. Daarvoor lag een brede vestinggracht en een arsenaal. Monumentale poorten zorgden voor een betere circulatie in en uit de stad.

De Brialmontomwalling werd verdedigd door twee vooruitgeschoven fortengordels. De binnenste fortengordel werd aangelegd in de periode 1859-1882. De acht polygonale forten op rechteroever lagen op ongeveer twee kilometer van elkaar en vormden een front van 16 km van oost naar zuid. Deze forten werden aangevuld door reeks versterkingen op linkeroever en langs de Schelde. Door de snelle ontwikkelingen in de artillerie besloot de Belgische regering tussen 1878 en 1914 de zogenaamde buitenste fortengordel aan te leggen, verder van de stad.

Van de Brialmontomwalling is vrijwel niets bewaard. In 1906 werd ze gedemilitariseerd, of gedeclasseerd als verdedigingslinie. Een internationale architectuurwedstrijd voor de herinrichting van de vrijgekomen terreinen in 1910 bleef zonder gevolg. Het duurde nog tot de aanleg van de Antwerpse Ring en Singel in de jaren 1960 vooraleer de omwalling werd gesloopt. Enkele geïsoleerde, tot parken omgevormde relicten blijven over. De poorten verdwenen, op enkele schamele resten na. Van de binnenste fortengordel verdween alleen fort 1 In Wijnegem. De overige zijn nog min of meer intact bewaard.

Meegegroeid met zijn tijd. Het Steen in Antwerpen

Het Steen is het oudste en misschien wel meest iconische gebouw van Antwerpen. Het is verbonden met de oorsprong van de stad en de laatste zichtbare getuige van de omwalde burcht die sinds de 13de eeuw de oevers van de Schelde domineerde.

Wat vandaag Het Steen is, is het resultaat van eeuwen bouwen, verbouwen en bijbouwen. Cruciaal in dit verhaal waren de restauratie, verbouwing en uitbreiding van 1885 tot 1890, naar ontwerp van architect Ferdinand Truyman (1857-1939) en stadsingenieur Gustave Royers (1848-1923).

Om de samenhang tussen de verschillende bouwfasen te vergroten, schreef de Vlaams Bouwmeester in 2016 een Open Oproep uit voor de restauratie en herbestemming van het Steen. Het winnend ontwerp van noAarchitecten vertrok vanuit de bouwgeschiedenis van het complex. Het vrijstaand gebouw zoals het in 1890 was gevormd, lag aan de basis van hun voorstel. De bescheiden, functionele uitbreiding uit de jaren 1950 werd vervangen door een nieuwe vleugel.

Oude gedenkteekens herstellen is zeer moeilijk. Herstellingen hebben dikwijls voor gevolg dat zij de oorspronkelijkheid van den bouwtrant bederven. Daar het Steen niet alleen een eigenaardig gebouw, maar daarenboven eene geschiedkundige oorkonde was, zoo kwam het er op aan in de restauratie alle fouten te voorkomen.

Jef van der Venne, 'Joseph Lefebvre en zijn werk', Antwerpen, 1895

Bouwen in een beschermde belle époquewijk. De keuze van architect Christine Conix

De woning Mercurius was het derde en laatste grote project dat architect Joseph Bascourt (1863-1927) realiseerde in de Cogels-Osylei in Antwerpen. Dit bijzondere pand uit 1897 werd in 1933 afgebroken en na de Tweede Wereldoorlog vervangen door twee gekoppelde woningen.

In 1948 kreeg de toenmalige eigenaar van het perceel de goedkeuring voor een nieuwbouw naar een ontwerp van architect Jan Wittocx (1924-1973) 'op voorwaarde dat op nevensliggende pand een gelijkaardig gebouw opgericht worde'. Een voorwaarde die uiteindelijk niet werd gerespecteerd. In 1989 ontwierp architect Christine Conix (1955) een hedendaagse woning voor de andere plek. In tegenstelling tot het ontwerp van Wittocx verwees zij niet naar de bouwstijl van de afgebroken woning, maar koos ze voor een eigentijdse vormgeving.

Van volkshuis tot schroot. Horta's volkshuis in Brussel

In 1895 kreeg architect Victor Horta (1861-1947) de opdracht om in Brussel een volkshuis te bouwen voor de Belgische Werkliedenpartij en de Brusselse arbeiderscoöperatie. Het nieuwe gebouw opende in 1899. Het was een totaalkunstwerk in art-nouveaustijl en weerspiegelde de moderniteit en progressieve ambities van de jonge socialistische partij.

In 1965 werd dit art-nouveaumeesterwerk gesloopt om plaats te maken voor een kantoorgebouw. Het voldeed niet meer aan de noden en de smaak van de partij. De vele protesten in het binnen- en buitenland konden de beslissing tot slopen niet afremmen of de eigenaars aanzetten om een andere oplossing te bedenken voor hun plannen.

Na de afbraak werden delen van het volkshuis zorgvuldig gedemonteerd met het oog op een heropbouw. De heropbouw kwam er echter nooit. De opgeslagen bouwonderdelen werden in de daaropvolgende decennia verwaarloosd, met aftakeling en kunstroof tot gevolg. Verschillende elementen belandden in verschillende opslagplaatsen en musea. Soms werden delen van de originele inrichting verwerkt in andere gebouwen.

De afbraak had ook onverwachte gevolgen. De verontwaardiging over de sloop was zo groot dat het grote publiek er niet alleen op uit was het werk van Horta beter te leren kennen, maar ook wilde kennismaken met de hele art-nouveaubeweging in België.

Niemand zou het prachtige stadhuis van Brussel durven te slopen of een ander gebouw op de Grote Markt, onder het voorwendsel dat nieuwe gebouwen hun functie beter zouden vervullen... Net als de middeleeuwse gebouwen, is het (Volkshuis) een document van zijn tijd en moet dit gebouw kost wat kost gered worden... Materiële waarden kunnen worden vervangen, spirituele nooit.

Reactie van architect Ludwig Hilbersheimer op het Manifest tot Behoud van het Volkshuis. Gepubliceerd in 'Destruction de la Maison du Peuple de Bruxelles', Rythme, 39 (1964)

'Touche pas à mon Entrepot'. De Koninklijke Stapelhuizen in Antwerpen

Op 26 oktober 1988 maakte het Antwerpse stadsbestuur bekend dat het de Koninklijke Stapelhuizen (Den Entrepot) aan het Eilandje wilde slopen om op de vrijgekomen terreinen kantoortorens te laten bouwen. Dit plan moest een saneringsoperatie inluiden om de stad ‘nieuwer’ en ‘aantrekkelijker’ te maken in aanloop naar Antwerpen 93.

De eerste protesten lieten niet lang op zich wachten. De Bond Beter Leefmilieu, de Vlaamse vereniging voor Industriële Archeologie (VVIA) en de Koninklijke Vereniging voor Natuur en Stedeschoon (KVNS) reageerden verontwaardigd. De studenten van het Hoger Architectuurinstituut van het Rijk (het HAIR) legden een menselijke ketting rond de Entrepot, met als slogan: ‘Touche pas à mon Entrepôt’. Om de reacties te counteren, nodigde de verantwoordelijke schepen de Amerikaanse architect Richard Meier (1934) uit, die het gebouw na een blitzbezoek waardeloos verklaarde. Een aanvraag voor de bescherming van de site werd uiteindelijk niet goedgekeurd.

De meningsverschillen werden nog groter wanneer de vzw Gehavende Stad (1989-1994), Geert Bekaert (1928-2016), b0b Van Reeth (1943-2025) en andere Antwerpse personaliteiten zich aan de zijde van de tegenstanders schaarden. Zij pleitten voor een herbestemming van de Stapelhuizen en argumenteerden dat deze, in combinatie met de juiste stedenbouwkundige ingrepen, (opnieuw) een poort konden worden van de stad aan de Schelde.

Ondanks de grote protesten werd in januari 1990 toch een sloopvergunning afgeleverd. Het gehele stadsdeel raakte in de volgende decennia op een ongecontroleerde manier, met grote tussenpozen en zonder overkoepelend plan of concept, opnieuw met bebouwing opgevuld.

Gebouwen horen ons niet toe. Ook al hebben we ze zelf gemaakt. We kunnen er niet willekeurig mee omspringen. Ze horen tot de continuïteit van ons leven.

Geert Bekaert, 'Hommage Koninklijke Stapelhuizen. Boekpresentatie', in Idem, 'Spoorloos. Verzamelde Opstellen. Deel 5', Gent, 2008

'Het mag geen broeinest van hippies worden'. De wijk Zurenborg in Antwerpen

De wijk Zurenborg in Antwerpen, met de Cogels-Osylei als meest opmerkelijke straat, is een belangrijk architecturaal ensemble uit het fin de siècle. De wijk evolueerde vanaf de jaren 1960 van gegeerde huisvesting voor de burgerij naar een verouderde woonbuurt met veel leegstand. Om hieraan te verhelpen diende architect Renaat Braem (1910-2001) op 4 april 1969 een beschermingsvoorstel voor de Cogels-Osylei in bij de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Het voorstel veroorzaakte een storm van protest bij de eigenaars en het gemeentebestuur. Een bescherming beschouwden ze als een hinderpaal voor de modernisering en zou de verloedering in de hand werken.

Verschillende verenigingen en experten mengden zich in de discussie. De Vlaamse Architectenvereniging (VAV) pleitte in 1970 voor het volledig behoud en de bescherming van de Cogels-Osylei. In datzelfde jaar presenteerde de Koninklijke Maatschappij voor Bouwmeesters (KMBA) een voorstel dat Zurenborg in verschillende zones met specifieke bestemmingen verdeelde. Een deel van de historische bebouwing werd hierin vrijgegeven voor sloop, hoogbouw en nieuwe functies. Het ministerie van Nederlandse Cultuur gaf in 1971 de architecten Alfons Hoppenbrouwers (1930-2001) en Rudi Somers (1942-2010) de opdracht nog een ander plan uit te werken. Het behield de volledige historische Zurenborgsite, met in de rand ruimte voor een groot winkelcentrum.

De architectuurhistorische analyse van de Zurenborgwijk die architect Victor Blommaert (1912-1990) in 1972 in het tijdschrift Natuur- en Stedeschoon publiceerde, leverde belangrijke informatie voor de beschermingsprocedure. In 1980 volgde de bescherming van de gehele wijk als stadsgezicht. Vier jaar later kregen meer dan 100 woningen de titel van monument.

Zowat heel Europa zit Antwerpen immers afgunstig te begluren om het bezit van de Cogels Osylei en het behoeft naar onze mening niet de minste onderlegdheid om in te zien dat de Cogels Osylei (en omgeving) in al zijn eklektisme meer dan genoeg persoonlijkheid bezit om als een gaaf geheel voor de verdere toekomst te worden gevrijwaard.

Herman Dewinter en Herman Melort, 'Aksie behoud Cogels-Osylei', Kontakt, 14 (1970)

Sloop leidt tot herwaardering oeuvre Van Steenbergen. De woning Reypens in Mortsel

In oktober 1991 werd in Mortsel de woning Reypens afgebroken. De woning was in 1927 ontworpen door architect Eduard Van Steenbergen (1889-1952). Ook de volledige binnenaankleding, het meubilair, de tapijten en de tuinaanleg waren van zijn hand. Het intact gebleven ensemble werd bij gebrek aan wettige erfgenamen geërfd door hun huishoudster, die het verkocht.

Toen de afbraakplannen van de koper bekend raakten, was de sloopvergunning al gegeven. Door het ontbreken van een wettelijke bescherming was de afbraak onvermijdelijk. Alleen het monumentale glasraam uit de hal van de woning kon gered worden. Het werd geïntegreerd in de traphal van het Henry Van de Velde Instituut in Antwerpen.

Met de afbraak van de woning Reypens groeide het besef dat er voor verschillende gebouwen van Van Steenbergen een wettelijke bescherming aan de orde was. In 1993 kregen vijftien gebouwen die door hem ontworpen waren het statuut van monument.

'Een werking die de architectuur in gevaar brengt'. Het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel

Het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel, tegenwoordig beter bekend als BOZAR, is een architecturaal meesterwerk van architect Victor Horta (1861-1947). Het in 1928 voltooide gebouw markeert een stijlbreuk voor Horta. In plaats van zijn bekende art-nouveauvormen koos hij in dit ontwerp voor een strakke, monumentale art-decostijl.

Het complex is een huzarenstukje van stedenbouw. Ingepast in een dichtbevolkt stedelijk weefsel vormt het gebouw een schakel tussen beneden- en bovenstad. Binnen de bescheiden gevels schuilt een indrukwekkend ondergronds stelsel dat plaats biedt aan verschillende tentoonstellingszalen en concertruimtes, waaronder de iconische Henry Le Bœufzaal.

Met het oog op de rendabiliteit van haar activiteiten, onderging het Paleis in de loop der jaren ingrijpende aanpassingen. De oorspronkelijke intenties van Horta werden daarbij amper gerespecteerd. Vanaf het einde van de jaren 1990 zette de Regie der Gebouwen verschillende restauratiewerven op. Dankzij de ingrijpende restauratie van architect Georges Baines (1925-2013) einde jaren 1990 kon de Henry le Boeufzaal in haar bijna originele staat worden hersteld. Vanaf 2002 stelde architect Barbara Van Der Wee (1957), die gespecialiseerd is in de restauratie van gebouwen van Horta, verder orde op zaken in het Paleis.

Van indringer tot stedelijk icoon. De Boerentoren in Antwerpen

Met het oog op de Antwerpse Wereldtentoonstelling van 1930 wenste het Antwerpse stadsbestuur op het einde van de jaren 1920 een extra blikvanger in het centrum van de stad. In 1928 kon ze de Algemeene Bankvereeniging overtuigen om een torengebouw op te richten. De ontwerpen die de architecten Jan Vanhoenacker (1875-1958), Jos Smolderen (1889-1973) en Emiel Van Averbeke (1876-1946) hiervoor maakten, lokten veel kritiek uit. Vele Antwerpenaren vreesden vooral de teloorgang van de historische binnenstad. Ondanks dit verzet kwam de toren er toch en werd hij één van de highlights van de stad.

Dat de Antwerpenaar de waarde van de Boerentoren niet meer in vraag stelde, werd duidelijk in de jaren 1960 toen bleek dat voor de eigenaar het gebouw te klein geworden was en de werkomstandigheden niet meer beantwoordden aan de gangbare normen. Voor de bank en de architecten Léon Stynen (1899-1990) en Paul De Meyer (1922-2011) was een nieuw torengebouw de beste oplossing voor alle problemen. Omdat hun voorstel voor een nieuwbouw op weinig bijval kon rekenen, kozen ze voor een grondige renovatie van het bestaande gebouw en de oprichting van een nieuwe vleugel aan de Eiermarkt-hoek Beddenstraat. De art-deco-interieurs verdwenen voorgoed. Het vernieuwde Torengebouw werd in 1976 ingewijd.

Vandaag staat de Boerentoren opnieuw in de belangstelling. De plannen om dit iconische gebouw de volgende jaren om te vormen tot een cultuurtempel laten niemand koud.

'Banalisering van een sociaal woonmonument'. Het Stuivenbergcomplex van Alfons Francken in Antwerpen

Het woningbouwcomplex dat architect Alfons Francken (1882-1958) in 1929-1931 aan het Stuivenbergplein in Antwerpen realiseerde, was één van de belangrijke voorbeelden van volkswoningbouw uit het interbellum in België. Het complex was in die tijd bijzonder vernieuwend. Het volgde de typologie van de Weense hoven waarbij vrijstaande woonblokken van vijf tot tien bouwlagen rond een centraal binnenplein werden geschikt. Kenmerkend was de combinatie van kleine wooneenheden met gemeenschappelijke binnen- en buitenruimtes. De appartementen zelf waren kwaliteitsvol en modern uitgerust.

Het complex werd in 1996 ingrijpend gerenoveerd. De architecturale erfgoedwaarde ging daarbij grotendeels verloren. Zo verdwenen de typische baksteenarchitectuur, de balkons aan het binnenplein, de droogzolders en de winkels. De facelift die het sociaal monument onderging, stond volgens critici ver af van wat de voormalige Vlaamse Bouwmeester b0b Van Reeth (1943-2025) omschreef als 'de tweede jeugd van een gebouw'.

'Wat waarde heeft, moet behouden blijven'. De Gildekamersstraat in Antwerpen

Toen burgemeester Camille Huysmans (1871-1968) zijn plannen voorstelde om de hele Gildekamersstraat af te breken voor de bouw van een nieuw superstadhuis, ontstond er groot protest in Antwerpen. Onder aanvoering van de vereniging voor Natuur- en Stedenschoon werd een ‘Verweercomiteit voor de Gildekamersstraat’ opgericht. Het Davidsfonds, Touring Club en vele kunstenaarsverenigingen sloten zich daarbij aan. James Ensor (1860-1949) speelde een belangrijke rol in dit verzet. Samen met andere kunstenaars en auteurs publiceerde hij in 1936 het pamflet 'Een bedreiging. De buurt der Gildekamersstraat'. Hierin kwamen ze op voor het behoud van deze unieke, oude buurt nabij de Grote Markt.

Onder meer dankzij hun protest bleef de straat uiteindelijk gespaard. Huysmans’ opvolger Lode Craeybeckx (1897-1976) zou in 1951 voor een minder drastische sanering van de Gildekamersstraat kiezen. De twee belangrijkste gevels werden gerestaureerd, de andere ‘vrij’ gereconstrueerd om daarachter het Volkskundemuseum te verbergen.

Het centrale stedelijk administratief centrum kwam er pas in 2009, niet in het historisch centrum maar in het voormalige kantoorgebouw Den Bell op het Zuid.

Ons oordeel echter is steeds geweest dat wat waarde heeft, behouden moet blijven. De dagteekening ervan laat ons daarbij onverschillig. Wij denken dat dit de breede wijze van bekijken is. En ook de juiste.

Uit 'Een bedreiging. De buurt der Gilderkamersstraat', Antwerpen, 1936

'Het Paleis op de Heide'. Het Sanatorium Joseph Lemaire in Tombeek

In 2009 werd het modernistische Sanatorium Joseph Lemaire in Tombeek door de World Monuments Watch in New York beschouwd als een van de honderd meest bedreigde architecturale sites ter wereld. Het sanatorium veroverde op die manier een plaatsje naast de Inca-site van Machu Picchu in Peru en Gaudi's Sagrada Familia in Barcelona.

Het sanatorium dateert van 1937 en werd ontworpen door architect Maxime Brunfaut (1909-2003). Het was een perfecte 'machine à guérir', een herstellingsoord voor tuberculosepatiënten. Toen de ziekte uitgeroeid was, werd de machine nutteloos. In 1987 volgde de sluiting. Het sanatorium werd in 1993 beschermd als monument, het park als landschap. Na de sluiting stond het gebouw lange tijd leeg. Verschillende projectontwikkelaars en investeerders beten hun tanden stuk op het gebouw. Brandstichtingen, vandalisme en betonrot maakten van de site een beschermde ruïne.

Het dossier kwam in een stroomversnelling terecht dankzij acties van enkele architectuurstudenten van Sint-Lukas in Brussel. Vanaf 2007 ijverden zij met de vereniging Red het Sanatorium en de steun van het Sint-Lukasarchief en een hele reeks andere organisaties en architecten voor een duurzame herbestemming.

In 2017 was de lijdensweg van het 'paleis op de heide' definitief voorbij. Na de renovatie door SVR Architects kreeg het complex opnieuw een zorgfunctie.

'Antwerpse Fierensblokken krijgen weer hun oorspronkelijke kleuren'. Het project Fierenshoven in Antwerpen

De Fierensblokken vormden een sociaal woningbouwcomplex dat op het einde van de jaren 1930 ontworpen werd door architect Gustave Fierens (1881-1962). De gebouwen waren zeer vooruitstrevend op het gebied van modern wooncomfort en gemeenschappelijke voorzieningen.

Door de jaren heen raakten de oorspronkelijke gebouwen in verval en dreigde de sloop. Door maximaal in te zetten op de materiële en culturele kwaliteiten, werd het complex door een groep betrokken buurtbewoners van de sloop gered. Omdat de sociale woonmaatschappij Woonhaven dit sociale woningbouwproject met erfgoedwaarde niet kon financieren binnen haar budget, kocht het Antwerpse stadsbestuur in 2009 het complex over. Het vastgoedbedrijf van de stad schreef vervolgens een wedstrijd uit voor een ingrijpende renovatie en herbestemming van het pand.

De opdracht werd toegewezen aan Happel Cornelisse Verhoeven architecten en Molenaar & Co architecten.  In hun project Fierenshoven slaagden ze erin het gebouw te renoveren, restaureren en uit te breiden met respect voor de erfgoedwaarde. De voormalige sociale wooneenheden werden omgevormd tot 125 in grootte variërende huurwoningen. Ze verbeterden de leefbaarheid en de energieprestaties en besteedden bijzondere aandacht aan collectieve voorzieningen. Een nieuw hoekgebouw sluit aan bij het bestaande bouwblok. De commerciële plint moet samen met het in ere herstelde bouwblok zorgen voor een heropleving van de buurt.  Het project werd afgerond in 2023.

Alsof Fierens hier nog altijd aan het doceren is. Hoe belangrijk licht en lucht voor een mens zijn. En dat sociaal nooit banaal mag zijn. Nooit troosteloos. Nooit hopeloos.

Stijn Tormans, 'De kracht van afbraak', in Knack, (2015)

'RITO-architecten bouwden een gebouw van Henry Van de Velde'. Tweebronnen in Leuven

Toen de Leuvense rijkscholen in 1984 werden gereorganiseerd, kwam het Rijksinstituut voor Technisch Onderwijs in centrum Leuven leeg te staan en dreigde de afbraak. Er volgde een moeizame beschermingsprocedure en internationaal protest. In 1990 werden de gevels van het complex als monument en de gebouwen in het binnengebied als stadsgezicht beschermd. In 1996 keurde het stadsbestuur het ontwerp voor de restauratie en transformatie van het gebouw door de tijdelijke vereniging Georges Baines-Formanova goed.

De renovatie leidde tot uitgesproken meningsverschillen over monumentenzorg en restauratie. Door alleen de gevels te laten staan en de rest af te breken en te vervangen door nieuwbouw, zetten de architecten volgens critici het gebouw als een museumstuk te kijk. Voor hen was authenticiteit voor een modernistisch monument even belangrijk als voor de ambachtelijk bewerkte oudere monumenten. De voorstanders meenden dat je door de ruimtes anders te definiëren en te gebruiken het gebouw nieuw leven kon inblazen en de oorspronkelijke architecturale kwaliteiten beter tot hun recht kon laten komen.

In 2000 namen de bibliotheek en het archief van de stad Leuven hun intrek in de schoolgebouwen die architecten Henry Van De Velde (1863-1975) en Vital Rosseels (1884-1955) tussen 1936 en 1942 hadden gebouwd.

Het R.I.T.O.-gebouw van Henry Van de Velde heeft de oorlog overleefd, maar werd in vredestijd doodgeknuffeld.

Anne Malliet, 'Renovatie voormalige R.I.T.O.-gebouwen te Leuven door architecten Georges Baines en Formanova', Monumenten en Landschappen, 4 (1997)

Nieuwe bestemming gezocht. Het kindersanatorium Hof Ten Bos in Brasschaat

Midden jaren 1930 vroeg het kinderbijslagfonds ‘Interprofessionele Kas voor Gezinsvergoedingen’ de architecten Léon Stynen (1899-1990) en Gustave Wauters om een kuuroord voor kinderen te bouwen in Brasschaat. In hun ontwerp uit 1937 verwerkten de architecten voluit de grondbeginselen van de moderne architectuur. Grote raampartijen, zonne- en dakterrassen, het platte dak en het betonskelet werden optimaal ingezet. Het skelet van betonnen kolommen of pilotis liet toe om de gevel vrij in te delen en de gelijkvloerse verdieping als een transparante en open ruimte uit te werken. Binnen dit kader van licht, lucht en ruimte lieten Stynen en Wauters alle overtollige decoratie achterwege. Wel besteedden ze bijzondere aandacht aan materiaal- en kleurgebruik.

Na 1945 onderging het gebouw ingrijpende veranderingen. Hof ten Bos verloor in de jaren 1950 ook haar oorspronkelijke bestemming en werd een internaat van het Gemeenschapsonderwijs. Recent bood het Gemeenschapsonderwijs het in 1995 beschermde gebouw te koop aan omdat het 'niet langer geschikt was voor hedendaagse onderwijsdoeleinden'. Intussen wacht Hof Ten Bos op zijn nieuwe bestemming.

De 'herschepping' van het Rubenshuis in Antwerpen

'De historische werkelijkheid op een zo volmaakt mogelijke wijze benaderen': dat was de opdracht die stadsbouwmeester Emiel Van Averbeke (1876-1946) van het stadsbestuur kreeg toen hem in 1935 werd gevraagd om de woning van de schilder Peter Paul Rubens in Antwerpen te restaureren. In zijn vooronderzoek stelde hij echter vast dat er behalve de portiek en het tuinpaviljoen niets was overgebleven van de oorspronkelijke woning. Het oude woonhuis was gesloopt en het atelier ingrijpend verbouwd. Over het oorspronkelijke uitzicht van het pand was bovendien erg weinig geweten.

In 1937 werd het Antwerpse stadsbestuur eigenaar van het Rubenshuis. Het koos ervoor om de 17de-eeuwse kunstenaarswoning in zijn oorspronkelijke toestand te herstellen of te herscheppen. Een historische reconstructie verving elk niet authentiek onderdeel, zoals het woonhuis en het atelier. De portiek en het tuinpaviljoen werden grondig gerestaureerd. De inrichting van het interieur gebeurde op basis van afbeeldingen, boedelbeschrijvingen en genreschilderijen van vergelijkbare voorname panden. Met allerlei recuperatiematerialen werd een interieur passend bij de rang en stand van Rubens gecreëerd. In 1946 kreeg het Rubenshuis zijn huidige bestemming als museum.

In 2017 werd een masterplan uitgewerkt om het Rubenshuis en het Rubenianum aan te passen aan de hedendaagse noden. Een eerste fase is intussen afgewerkt.

'Moderne architektuur krijgt geen enkele kans om oud te worden'. Home Emile Vandervelde II in Oostduinkerke

Op de opening van de tentoonstelling over Lucien Engels (1928-2015) in deSingel in 1996 werd gesteld dat 'hoe jonger een gebouw, hoe kwetsbaarder het lijkt'. Uitgerekend op het moment dat de architect met een boek en tentoonstelling volop in de belangstelling stond, werd het Home Emile Vandevelde II, dat Engels in 1954-1957 in Oostduinkerke had gebouwd, met de grond gelijk gemaakt. Tal van personalia uit de culturele en politieke wereld hadden tevergeefs gepleit voor het behoud van dit meesterwerk uit de fifties.

Lucien Engels’ magnum opus bestond uit een configuratie van stervormige paviljoenen rond een half-open, half-gesloten plein. De combinatie tussen geometrische eenvoud en sculpturale kracht gaf het geheel een organische accent dat perfect paste in het glooiende duinenlandschap. Engels' plastische vrijheid en voorkeur voor kleurschakeringen doken op in het meubilair en de gebruiksvoorwerpen die hij voor dit modernistisch Gesamtkunstwerk ontwierp. Engels nodigde kunstenaars uit om hun werken te integreren.

Een voortreffelijk ontworpen en degelijk gedetailleerd gebouw heeft na 40 jaar niet afgedaan. Door zijn voornoemde kwaliteiten en zijn grote flexibiliteit bezit het de potentie een gewijzigde zienswijze aan te kunnen of andere functies op te nemen. Hiervoor is geen sloop nodig...

Stéphane Beel in een protestbrief van 7 oktober 1995, gepubliceerd in Mil De Kooning en Ronny De Meyer, 'Hommage Home Emile Vandervelde II Oostduinkerke', Mechelen, 1996

'Red het Zeemanshuis'. Het Internationaal Zeemanshuis in Antwerpen

Het Internationaal Zeemanshuis was een modernistisch hoogbouwcomplex, opgetrokken door de stad Antwerpen als hotel en tehuis voor zeelieden. Het behoorde tot de belangrijkste openbare infrastructuurwerken in Antwerpen uit de periode van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Het werd in 1950 ontworpen door Paul Smekens (1890-1983) en Hendrik Wittocx (1893-1965).

In 2004 lanceerde de stad Antwerpen een herwaarderingsproject voor het Schipperskwartier. De zone Falconplein-Zeemanshuis was daarin een cruciaal hefboomproject. Hoewel het stadsbestuur het bestaande Zeemanshuis in het ontwerp wilde behouden, werd na een Open Oproep van de Vlaamse Bouwmeester het voorstel van het Duits-Nederlandse ontwerpbureau Rapp+Rapp geselecteerd, dat als enige resoluut voor afbraak van het complex koos.

Ondanks de acties van nationale en internationale erfgoedorganisaties, actiegroepen en buurtcomités werd het gebouw in 2013 afgebroken.

'We kopen samen den Oudaan'. De Politietoren in Antwerpen

De Politietoren is een Antwerps stadsicoon uit de jaren 1960 dat al decennialang de meningen verdeelt. Ook de verkoop ervan in 2015 veroorzaakte deining. In juni 2015 zette AG Vespa de toren officieel te koop. Als reactie lanceerden het studiebureau Endeavour en enkele bevriende architecten via de sociale media de oproep 'We kopen samen den Oudaan'. Het initiatief werd massaal gedeeld en opgepikt door de nationale media.

Het initiatief werd op korte tijd een stadsbrede beweging die het torengebouw wou kopen en terug publiek maken, zoals architect Renaat Braem het ooit had bedoeld met zijn ‘toren voor het volk’. Dit lokale burgerinitiatief ging op zoek naar alternatieve vormen van vastgoedontwikkeling en coöperatieve aankoop- en beheersstructuren. Via sociale media, workshops, expo’s en debatten werd door burgers en professionals nagedacht over hoe de toren kon aangekocht, gerenoveerd en ingevuld kon worden. De Vlaamse Bouwmeester lauwerde het initiatief met het BWMSTR-label.

Het gebouw werd in 2016 verkocht aan een projectontwikkelaar. Na jaren leegstand is het nog steeds onduidelijk wat er met dit beschermd monument zal gebeuren.

Comité Kursaal aan Zee voorkomt kaalslag. Het Casino-Kursaal van Oostende

In 1946 kreeg architect Léon Stynen (1899-1990) de opdracht om in Oostende een nieuw casino-kursaal te bouwen. Stynen ontwierp een gebouw dat voor zijn tijd vooruitstrevend was. Hij maakte volop gebruik van de mogelijkheden die de moderne bouwtechnieken en -materialen hem boden en slaagde erin de functionele vereisten en architecturale kwaliteiten op een evenwichtige manier te combineren. Stynen wist ook de uitzonderlijke ligging optimaal te benutten. Van overal in het gebouw kon je de zee zien. Veel aandacht besteedde hij aan de integratie van kunst. Decoratie en beeldende kunstwerken moesten één geheel vormen met de architectuur. In juni 1953 opende het Casino-Kursaal de deuren.

De programmatorische onaangepastheid en de constructieve aftakeling zorgden er in de loop der jaren voor dat het gebouw voor de stad Oostende als eigenaar steeds minder geschikt werd. Om hieraan te verhelpen, schreef ze in 1992-1993 een internationale wedstrijd. De deelnemers dienden zowel beperkte renovatievoorstellen als nieuwbouwprojecten (inclusief sloop) in. Om afbraak te voorkomen, besliste de bevoegde minister in 1998 om het gebouw als monument te beschermen. Dit besluit kwam er na felle acties van enkele actiegroepen en een hele reeks prominenten.

Een ingrijpende renovatie in 2003-2004 door het architectenbureau Storme-Van Ranst maakte een einde aan de verloedering en corrigeerde deels de vroegere aanpassingen. Een uitgebreide archiefstudie en bouwhistorisch onderzoek waren daarbij de leidraad. De renovatie verzoende zo goed als mogelijk het behoud van de oorspronkelijke architecturale kwaliteiten met een commerciële uitbating van het gebouw.

De Witte Stad. Monumentenzorg in Mechelen

Het Keldermans-Genootschap was een Mechelse erfgoedvereniging. Het genootschap werd opgericht in 1980 met als doel de historische architectuur in Mechelen in kaart te brengen en te beschermen. Onder de leden bevond zich onder meer architect Heinrich Sermeus (1935-1887), enkele jaren diensthoofd historische gebouwen van de KULeuven en lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen.

De leden ontvingen tweemaandelijks het blad 'De Witte Stad', vernoemd naar de rijke geschiedenis en witte monumenten in de regio. Het eerste nummer verscheen in 1982. Bijzondere aandacht was er voor het houtbouwpatrimonium in Mechelen. In 1981 bracht het Genootschap hierover een publicatie uit.

Aangezien met restauratie geen eenheid van stijl wordt nagestreefd, moeten alle waardevolle toevoegingen die in verschillende perioden aan het monument zijn gedaan, worden geëerbiedigd. Als aan een bouwwerk lagen uit verschillende tijdsperioden te onderscheiden zijn , is het zichtbaar maken van een oudere situatie slechts bij uitzondering gerechtvaardigd. Voorwaarde is dan dat de te verwijderen onderdelen van gering belang zijn., de zichtbaar gemaakte oudere toestand van grote historische, archeologische of esthetische waarde is en de huidige staat daarvan van voldoende kwaliteit om de ingreep te rechtsvaardigen. De beoordeling van de waarde van deze elementen en de beslissing over de verwijdering hiervan mogen niet alleen afhangen van de met restauratie belaste ontwerper.

Artikel 11 van het Charter van Venetië uit 1964, de grondwet van de actuele monumentenzorg